De eerste cipressen die opdoemen in het glooiende landschap maken me blij. Ze zijn het eerste teken van herkenning. De bergen lijken mooier dan ooit, badend in de oktoberzon, diens bomen van rood naar geel naar bruin schakerend. Toch voelt het anders. Het ís ook anders. Dit is niet de plek waar ik al zevenentwintig jaar mijn zomers doorbreng. Zonder de toeristen, de hitte en de schittering op het meer ziet alles er precies uit zoals ik me voel: kil en leeg. Ik wil nu niets liever dan dat de weg van het vliegveld naar het huis van mijn grootouders in Ohrid, Macedonië geen einde kent.
Vrijdag 19 oktober, elf uur ‘s ochtends. Drie gemiste oproepen op mijn telefoon. Ik zie dat mijn moeder heeft gebeld, de tweede en derde keer vlak na de eerste. Mijn hart slaat over. Een paar minuten later vertelt ze dat dedo, opa, in coma ligt. Dat baba, oma, aan de telefoon duidelijk heeft laten merken dat ze dit keer echt niet zeker weet of hij erbovenop komt, of zijn suikerwaarde genoeg daalt. Mijn oom en tante uit Belgrado zijn op dat moment al onderweg naar het zuiden, zich tijdens de acht uur durende reis afvragend of ze niet te laat zullen aankomen.
Dat er buiten het hoogseizoen nog regelmatig naar Macedonië wordt gevlogen verrast ons. De mogelijkheid maakt dat ik er geen seconde over na hoef te denken; ik ga mee. Hoe ernstig het is weten we niet, maar baba heeft ons hoe dan ook nodig. Vrijdagnacht half vier vertrekken we richting het vliegveld van Düsseldorf. Nog geen vierentwintig uur nadat we onze tickets hebben geboekt worden we door mijn moeders neef van Skopje naar Ohrid gereden. Een rit door de bergen die me nooit heeft verveeld. Hij wil ons brengen, is zelf ook bezorgd om zijn lievelingsoom. We weten dan nog niet wat hij al weet.
Ik heb vier jaar in de thuiszorg gewerkt. Tijdens mijn studie fietste ik twee of drie keer in de week door de wijken van Utrecht om huizen schoon te maken. De meeste ouderen waren dankbaar en lieten dat blijken door me aan de lopende band thee en koek toe te stoppen. Sommigen wisten niet hoe ze me moesten behandelen, lieten middels een dialoog met hun kat blijken wat me te doen stond. Een enkeling leefde teveel in zijn of haar eigen wereld om nog enig fatsoen op te kunnen brengen voor een jonge studente als ik. Op momenten als deze dacht ik aan mijn dedo en baba in Ohrid. In de drie uur waar soms geen eind aan leek te komen stelde ik me elke vaasje en lijstje dat ik afstofte voor alsof deze van mijn grootouders waren. Dat ik zo ze niet hielp wist ik, maar in gedachten was ik tenminste bij ze.
Dedo was afgelopen zomer vervuld van trots. Hij had, net als baba, mijn Nederlandse bruiloft in juni niet bij kunnen wonen, maar was blij dat we het feestje in Ohrid nog eens overdeden. Een fijn restaurant aan het meer, live muziek, familie en vrienden om ons heen. En veel, ontzettend veel eten. Daar zat hij in zijn rolstoel, het biertje dat we hem normaliter weigeren in zijn ene hand, zijn andere op tafel, meetikkend met het ritme van de muziek, kijkend naar de vrouw die danste als het meisje dat hij 53 jaar geleden huwde. Naar zijn twee dochters en vier kleinkinderen, waarvan nu de eerste was getrouwd met ‘een goede jongen’. Het geluk straalde van hem af.
Don Dedo noemden we hem die avond gekscherend.
Nadat hij zijn heup brak, vier jaar geleden, is hij nooit meer dezelfde geworden. Ik herinner mijn opa als een strenge, maar liefhebbende man. Vreselijk bescheiden voor iemand die de hele wereld rondreisde voor werk. Dedo had graag mensen over de vloer. Hij stond erop dat wij als kleinkinderen goede cijfers haalden, ons best deden onze ouders te gehoorzamen. Maar na zijn val veranderde hij langzaamaan in een angstige en emotionele man, helemaal na de voor hem, als diabetespatiënt, kritieke heupoperatie. Hij durfde niet meer te lopen, was bang weer te vallen. Ik gaf hem geen ongelijk, het ziekenhuis waarin hij meer dan een maand had gelegen schrok ons allemaal af.
We zagen hem de afgelopen jaren steeds verder wegzakken in zijn eigen wereld. Vooral mijn moeder en tante probeerden hem steeds dwingender op de been te krijgen. Stukjes lopen moest hij, met de rollator, wilde hij weer de oude worden. Oefenen, oefenen, oefenen. Maar dat wilde hij helemaal niet. Als we hem te drinken aanboden weigerde hij – het zou betekenen dat hij weer naar het toilet moest, een voor hem slopende onderneming.
Streng was hij allang niet meer. Soms vroeg hij me uit het niets hoe laat het was. Twee uur en tweeëntwintig minuten dedo, zei ik. Hij lachte dan alsof ik een schunnige mop had verteld. Ook stelde hij meerdere keren per dag de vraag of het goed ging op school, waarop ik gelukkig altijd eerlijk kon antwoorden dat ik met plezier studeerde, dat ik goede cijfers haalde. Niets anders maakte hem blijer dan dat.
Het is laat in de middag als we in de buitenwijk Daljan, waar mijn grootouders wonen, aankomen. Voordat we kans krijgen onze tassen uit de achterbak te halen is mijn tante al naar ons toe gerend. Ze huilt en schudt met haar hoofd. Mijn moeder valt haar in de armen en is niet stil te krijgen. Ik voel dat ook ik ‘nee’ schud met mijn hoofd, terwijl ik mijn hand op mijn hart leg. Niemand zegt iets, we huilen en huilen maar. We weten het, maar pas een paar minuten later durft iemand het hardop te zeggen: dedo is die nacht om half vier overleden.
In de uren die volgen gebeurt er iets wonderlijks. Althans, iets wat ik als bijzonder ervaar en nooit eerder heb gezien. De hele avond stroomt het huis vol. Familie van ver staat op de stoep. Alle buren die mij nog als baby hebben meegemaakt – zowat de hele straat aangezien niemand ooit is verhuisd – lopen naar binnen en weer naar buiten. Wij zijn gekleed in rouwend zwart, maar zij zijn dat ook. Ze geven ons allemaal een hand, omhelzen ons, luisteren naar wat mijn oma te vertellen heeft over de laatste dagen van haar man, laten hun medeleven op verschillende manieren zien. Hier is geen sprake van ‘we laten ze nu even alleen’, of, ‘we sturen ze een kaartje’. Iedereen steunt, troost en rouwt samen met ons. En dat doet ons goed.
Deze avond besef ik hoe sterk mijn oma is, terwijl ze keer op keer tot in details vertelt hoe ze de afgelopen dagen heeft beleefd. Mijn tante heeft het onmiskenbare verteltalent van mijn oma en gebruikt menig hand en gezichtsuitdrukking om te laten zien hoe onze lieve echtgenoot, vader en opa zijn laatste adem uitblies. Hoe vredig het was. Hoe hij zonder pijn, met een gelukkig hart, is gestorven.
Er liggen hapjes op tafel. Kleine broodjes met ham, ei, ajvar, geitenkaas en stukjes verse paprika uit eigen tuin. We nemen allemaal een hapje ‘voor de ziel van dedo’. We huilen.
Het is inmiddels een week geleden dat we hem samen met familie, buren en vrienden hebben begraven. Net buiten Ohrid, temidden van het schitterende berglandschap dat Macedonië zo kenmerkt, de statige cipressen nog net in het zicht.
Почивај во мир дедо, tе сакам.
